Image 01 Image 02 Image 03 Image 04 Image 05 Image 06 Image 07
Sage
Regio: 
Bachte

Het Wijveke van Meire-Linde

Meire-Linde

Te Bachte-Maria-Leerne stond een eeuwenoude linde, zo dik dat in tijd van nood een twaalftal mensen er gemakkelijk een schuilplaats in gevonden hadden. Waarom de mensen die linde Meirelinde noemden, is eenvoudig omdat ze in de buurt van Meire-kasteel stond.

Alle nachten, om twaalf uur, kwam er uit de linde een wijveke, een heks en tovenares natuurlijk, met een grote zwarte kat. Ze liepen dan samen Maria-Leerne rond en kwamen terug naar de linde. 's Morgens was alles voorbij en men zag noch hoorde niets of niemand de hele dag door. Of beter men zag niets, maar men hoorde wel altijd een geronk als van een spinnewiel. 't Scheen dat er dan geen gevaar mee gemoeid was, want de mensen passeerden de linde of de kinderen speelden in de buurt, zonder dat er ongelukken gebeurden.

Maar soms deed de tovenares haar omgang door Bachte niet en dan was het nogal een kabaal rond de linde. Het wijveke kwam niet, de kat kwam niet; ze dansten dan, ze sprongen. De kat sprong met een wip op de boom, van de hoorn op het hoofd van het wijveke, het wijveke schreeuwde en de kat miauwde.

Heel Maria-Leerne wist dan dat het daar ’s avonds niet pluis was. Inwoners van het dorp zelf waren er nog niet verongelukt, omdat ze dan voorzichtig waren en liever een halfuur omgingen dan de nek gebroken te worden. Maar verscheidene vreemde reizigers die het gevaar niet kenden, waren daar aan een ellendige dood geraakt.

Als er doden bleven, zo klauwde de kat vlug een graf onder de linde en de tovenares liet de ongelukkigen in de put vallen. De put werd gevuld en 's morgens was elk spoor uitgewist.

Op een dag vond men een vreemdeling met een gebroken been onder de linde. Toen hij de boom wilde passeren, vertelde hij, werd hij bij verrassing in de rug aangevallen, er was iets op hem gesprongen, hij had iets aan zijn been gevoeld en geraakte opeens bewusteloos.

Dit en andere verhalen deden de inwoners van Maria-Leerne beven van schrik. Maar er was niemand bereid om er tegenin te gaan ... tot op een zekere nieuwjaarsavond.

Zoals overal vierde men op een pachthoeve van Bachte-Maria-Leerne onder vrienden en geburen het oudejaar. En toen, in de sfeer van de avond, kwam ook de geschiedenis van het wijveke van Meire-Iinde ter sprake.

- "Dat is toch een dingen," zei gebuur Frans, "als de avond valt, kan ik mijn koeier niet langs de linde krijgen. En willen of niet, hij moet erlangs, want mijn meers ligt naar Vosselare op. Maar liever dan Meire-Iinde te passeren, komt hij met mijn koeien langs de andere kant van het kasteel terug, en dat is een halfuur langer."

- "1 a, en dat er daarniets aan te doen is", zei baas Jan.

- "Bah, 'k weet het niet. In onze jonge tijd zouden we toch willen weten hebben, wat er daar gebeurde en gingen we kijken wat er aan te doen was. Gij zelf, baas Jan, gij zoudt de eerste geweest zijn om op te trekken."

- "Ah, ik zou heel zeker niet achterwege gebleven zijn, maar we zijn er nu te oud voor."

- "Dat is zo onderhuids laten verstaan, dat wij bangeriken zijn", zei Ivo, een struise jonge man. "Wat de Lerenaars vroeger waren, zijn ze nu nog. Om er niet te veel doekjes om te winden, wie gaat er mee met mij?"

- "Ik", zei Cieske.
- "Ik", zei Jan.
- "En ik", zei Pier.
- '"t Is al voldoende", zei Ivo.

En wat de andere feestvierders ook deden of zegden om de aankomende nieuwjaarsdag niet te storen en alles voorstelden om hun plan op een andere nacht te doen, ze bleven bij hun voornemen.

De vrienden trokken op, elk gewapend met een dikke knuppel; twee beladen met een bundel stro, de twee anderen met een vracht hout. En als alles voorbij zou zijn, zouden ze met nieuws naar de hoeve terugkeren.

Het was elfuurtoen ze Bachte verlieten en door de velden naar het kasteel trokken, want ze hadden gehoord dat de heks haar ronde altijd in Bachte begon om zo langs het kasteel terug te keren. Ze dachten dat ze al de tijd van de wereld hadden om de linde in brand te steken en de hele hoek te zuiveren, tot de heks van haar rondgang terugkwam.

Om halftwaalf zaten ze te wachten in de haag van het kasteel. Hoe dichter middernacht naderde, hoe kleiner werd hun hart. De fles die ze hadden meegenomen om met moed te kunnen werken, was halfleeg vóór het kwart voor twaalf was. Enkel Ivo scheen nog op zijn gemak te zijn.

- "Zoudt ge geloven", fluisterde Pier, "dat het mij spijt dat ik hier ben ... Niet dat ik bang geworden ben, ik zou hier alleen ook wel gekomen zijn, maar als de heks ons, die van Bachte zijn, geen kwaad wil doen, waarom zouden we ons dan voor vreemdelingen inzetten?"

- '"t Is waar", zei Jan.
Cieske zei niets.

- "'t Is niet alleen voor de vreemdelingen dat we hier zijn, maar ook voor ons", zei Ivo. "Het kan ons ook overkomen dat we hier 's avonds moeten passeren en ga dan eens een halfuur om. Laat ons liever ons werk doen, want het wordt tijd. Gij, Pier, en gij, Jan, wilt ge het stro en het hout dragen en de linde in brand steken. Wij tweeën zullen met onze knuppels klaarstaan, mocht de heks onverwachts terugkeren."

- '"t Is ons om het even", zegden Pier en Jan.
- "Wel, het blijft dus zoals afgesproken. Heb vertrouwen in ons. Ik heb het erop, mij eens te wreken en al kwam de heks met de hele hel op mij af, nog zal ik niet gaan lopen. Laat ons nog vlug een grote gaai pakken, want het kan maar een paar minuten voor twaalf meer zijn."

De gaai werd gepakt en verder zaten ze met een angstig hart te wachten tot de klokkentoren twaalf zou slaan.

- "Vooral, laat ons goed uitkijken, dat we elke beweging zien.''

Eindelijk sloeg de klok. Een ... twee ... drie ... vier ...

- '"t Duurt lang", zei Jan.

Vijf... zes ... zeven ... acht. .. negen ...

- "Ziet ge goed?", vroeg Ivo.

Tien ... elf ... twaalf...

- "Z' is daar Zïs daar", zei Ivo. "Kijk Kijk Ze blijft staan. Stil..."

- "Ze blijft daar zo lang staan," zei Cieske, "als ze nu maar zin krijgt om haar ommegang te doen."

- "Daar, daar!", fluisterde Pier. '"t Dunkt me dat ze aan deze kant van de boom staat."

- "Kijk eens ginder, helemaal boven in de linde. Wat doen die lantaarntjes daar?", zei Jan bevend.

- "Wat mag dat zijn ... ? Kijk, ze blijven niet stil. De stralen komen naar hier."

Plots hoorden ze een ijselijke schreeuw. Voor zover ze konden zien, kwam de heks recht op hen af, de lantaarntjes waren nu ook beneden en kwamen mee. Ivo sprong op.

- "Allez, jongens, 't komt er nu op aan", zei hij met een hese stem. "De duivel weet hoe zij ons geroken heeft, maar 't is zeker, ze komt naar hier. Neem de knuppels en hou u klaar."

De anderen, verstijfd van schrik, namen hun knuppels en stonden op. Intussen naderde het verschijnsel meer en meer. En het leed geen twijfel, het wijveke kwam naar hen toe.

Een tweede schreeuw, Iuider nog dan de eerste, het gerammel van ketens, de angstaanjagende bewegingen van de heks en het onophoudelijk op en neer gaan van de twee lantaarntjes deden het bloed in hun aderen stollen. Maar het nakende gevaar gaf hen ook hun besef terug.

- "Willen we, Cies", vezelde Jan.
- "Nog niet", zei Cies.

Nauwelijks hadden ze die woorden uitgesproken of een derde en nog vreselijkere schreeuw weerklonk.

- "Nu zal 't tijd zijn", zei Jan en hij sprong uit de struiken en liep zo vlug als hij kon de velden in.

Pier en Cieske volgden hem. Eerst deed de heks een beweging alsof ze de vluchtelingen wilde achtervolgen, maar plots keerde ze zich om en ze ging recht op de struiken af.

Wat er dan gebeurd is, heeft niemand nog ooit kunnen vertellen. Doch 's anderendaags vond men Ivo op een paar stappen van de struik liggen, met een gebroken been. Hij kon niet zeggen of de tovenares bij hem geweest was, maar toen hij wegsprong, viel hij plots en hij bleef liggen. Meer wist hij niet meer. Achteraf durfde niemand meer de heks te verontrusten.

Op een dag was ze verdwenen, niemand wist hoe of waarom. En dit is het laatste wat de Lerenaars weten en niet weten over

Meire-linde, verre bekend
Nader Korterijk dan Gent.

Bron: 

2000, TONY VANHEE, Verteld langs Oost-Vlaamse Leiekant

Printvriendelijke versie

© 2018 Filip Gybels