Image 01 Image 02 Image 03 Image 04 Image 05 Image 06 Image 07
Mythe (gerelateerd)
Limburg

Bokkenrijders volgens de overlevering

Volgens de overlevering waren de Bokkenrijders een bende rovers die in de 18de eeuw de regio rond Limburg onveilig maakten. Of de roversbende ook daadwerkelijk bestaan heeft, is niet geheel duidelijk. Over de bende bestaan er evenveel verhalen als vertellers en die verhalen staan soms haaks op elkaar.

De overlevering

Er zijn mensen die de Bokkenrijders vooral als een soort Robin Hood-achtige bende beschouwen, die stalen van de rijken en opkwamen voor de armen. Volgens de meeste verhalen waren de Bokkenrijders echter een brute roversbende. Eén van de verhalen vertelt van een een bende rovers onder leiding van "Den Zwarten Kapitein" die tussen 1730 en 1780 de Landen van Overmaas (het tegenwoordige Nederlands-Limburg en Belgisch-Limburg) evenals de regio rond Luik, de gebieden vlak over de Duitse grens en de Kempen onveilig maakten. De leden zouden een verbond met de duivel hebben gesloten en zich op bokken door de lucht verplaatsen. Ze werden beschuldigd van dit laatste omdat er op eenzelfde nacht vaak meerdere overvallen gebeurden in ver uiteenlopende steden en dorpen, men dacht dat iemand die zich zo snel van de een naar de andere plaats verplaatste bovennatuurlijke krachten moest gebruikt hebben. Hun strategie was met een volledige bende een afgelegen gebouw te bestormen, de mensen te martelen om te weten te komen waar het geld verstopt is, en terug te vertrekken, de slachtoffers vaak dood of zwaar gewond achterlatend. De Bokkenrijders werden uiteindelijk terechtgesteld door Drossaerd Jan Clerx, hetgeen het einde betekende van hun heerschappij.

Mogelijk waren er verschillende groepen die de "Bokkenrijders" genoemd werden. Volgens sommige bronnen zou de eerste periode zich rond 1740 hebben afgespeeld, en de tweede rond 1770. De eerste Bokkenrijdersbende zou ontstaan zijn in Wolfhagen, een buurtschap bij Schinnen. De bendeleider was Geerling Daniels. Een andere beruchte Bokkenrijder uit die tijd was de Fransman Jacques du Jardin, een ex-soldaat die zijn geld verdiende als speelman (hij speelde viool). Zijn bijnaam was de Keukelaer. Hij werd opgehangen in 1751 op de Danikerberg, op de grens van Geleen en Schinnen. Uit een latere periode noteren we Nolleke van Geleen die in 1789 opgehangen werd.

Dat de Bokkenrijders een eed aan de duivel zouden hebben afgelegd, wordt geimpliceerd door de volgende verklaring die zou dateren van rond de tijd dat de bokkenrijders opereerden (?): "dat hij de eed heeft gedaan in het boske achter Wolfhagen, toen aldaer een keertse in een dode hand staande werd aangestoken en op een neusdoek op de grond gezet, en daar naast een dooske waarin een grote en een kleine geconsacreerde hostie, dat hij gedetineerde moest beloven van geen kameraden te beklappen waar het ook zo dat zij zouden gevangen worden en door de tortuur daartoe gedwongen, ten dien einde God afzwerende en de Duivel toe, toen opstekende de twee voorste vingeren en de duim van de rechterhand en zo zij zouden gevangen worden en door de tortuur moesten bekennen en ter dood werden gebracht dat zij alsdan alles zouden herroepen."

Historisch bewijsmateriaal

Historisch onderzoek verwijst het bovenstaande naar de prullenmand: de Bokkenrijdersbende zou zijn bedacht door justitie in een gruwelijke en tomeloze zoektocht naar de daders van enkele diefstallen. Door verdachten te folteren werden bekentenissen en nieuwe verdachten gevonden en door deze weer te folteren enz... . Dit zou uiteindelijk ervoor zorgen dat voor een tiental diefstallen tenminste 116 personen uit de gemeente Wellen beschuldigd werden. Uiteindelijk werden 31 mensen ter dood veroordeeld. Van die 31 werden er uiteindelijk 19 gewurgd op de brandstapel, 5 levend verbrand, 2 geradbraakt en 1 onthalsd. Verder wist er een te ontsnappen en stierven er twee in de gevangenis: één voor en één na de foltering. Eén verdachte werd vrijgelaten.

Dit kan dus makkelijk een laattijdige heksenvervolging genoemd worden.

Interessant is daarbij de vraag of dit gedrag van de verschillende drossaards werd veroorzaakt door overijver of doordat zij bepaalde mensen uit de weg wilden hebben.

Bron: 
  • Oorzaeke, bewys en ondekkinge van een goddelooze, bezwoorne bende nagtdieven en knevelaers binnen de landen van overmaeze en aenpalende landstreeken, geschreven door Sleinada S.J.P. in 1779.
    Sleinada was het pseudoniem van Pastoor A. Daniels (lees de naam van achter naar voren). Deze was pastoor van de parochie Schaesberg (d'r Sjeet) tegenwoordig onderdeel van Landgraaf. De strooptochten waren over het algemeen gericht tegen boerderijen en pastoriën. De pastoor (mogelijk ooit slachtoffer) had een natuurlijk wrok tegen deze Bokkerijders en zal derhalve in zijn boek ook niet altijd de feiten vermeld hebben.

  • Dr. Wilhelm Gierlichs, De geschiedenis der Bokkerijders in het voormalige land van 's Hertogenrode. (uitgave in eigen beheer), 1940.

  • G. Ramaekers,ing en Theo Passing, De woeste avonturen van de Bokkenrijders. (Uitgeverij Limburgs Dagblad, Heerlen. 1972)

  • Anton Blok, De Bokkerijders, roversbenden en geheime genootschappen in de Landen van Overmaas (1730-1774). (Prometheus, Amsterdam. 1991)

  • Louis Augustus schreef diverse artikelen over de Bokkenrijders in o.a. Uit Kerkrade's verleden en in Het land van Herle. (tijdschrift)

Gerelateerd: 

© 2018 Filip Gybels