Image 01 Image 02 Image 03 Image 04 Image 05 Image 06 Image 07
Legende
Brussel

Keizerin Regina

Karel de Grote

Waar nu te Brussel de Rozendaalgang ligt, stond vroeger een lusttuin met in het midden daarvan een fraaie woning, een paleis in 't klein. In dat paleis kwam Karel de Grote in de maand maart van 804, samen met zijn beminde vrouw Regina en Paus Leo, enkele dagen rust nemen.

Karel hield veel van de pietoreske plaats en ging graag neerzitten onder de grote eik om er de verzoekschriften van zijn onderdanen te ontvangen en recht te spreken. Karel had daar graag een gedeelte van de lente doorgebracht, maar het bericht dat de Saksen opnieuw opstand hadden verwekt, deed hem opbreken om zich aan het hoofd van zijn leger te kunnen stellen. Hij vertrok met zijn hele hof en liet zijn vrouw Regina alleen achter te Brussel.

De keizer was toen 62 jaar oud, maar nog sterk en gezond. Regina van haar kant, die jong en mooi was, beminde hem uit heel haar hart en zijn afwezigheid gaf haar veel verdriet. Toen zij op zekere morgen in de lusttuin wandelde, verscheen Tallen voor haar, de halfbroer van de keizer, die sinds lang op de bekoorlijke keizerin verliefd was. Hij aarzelde dan ook niet haar zijn liefde te verklaren. "Hebt ge er nooit aan gedacht dat ge uw broer kon onteren?" vroeg hem Regina, die even deugdzaam was als mooi.

De waardige en strenge houding van de keizerin legde Tallen het zwijgen op, maar kon hem toch niet van zijn voornemen doen afzien. Integendeel, meer en meer voelde hij zijn drift aangroeien. Hij drong daarom opnieuw aan en liet niets onbeproefd: gebeden, smeekbeden, beloften, eden. Hij verstoutte zich zelfs te laten gelden dat hij twintig jaar jonger was dan de keizer en dit een voordeel kon zijn. Maar de keizerin toonde niets dan verachting voor hem en daarom ging Tallen over tot bedreigingen, verklaarde zich over al die beledigingen te zullen wreken om het even hoe. Hierop raakte Regina in grote verlegenheid. Om de keizer hiervan op de hoogte te brengen, zag ze geen mogelijkheid. Het enige wat haar overbleef, was tijd te winnen tot aan de terugkomst van de keizer. Ze verzon dus een list en zei tot Tallen: "Ik begin medelijden te hebben met u en uw liefde laat me niet meer ongevoelig. Bouw onder die bomenhaag een tuinhuisje en daar zullen we bijeenkomen."

Maar het gevraagde paviljoentje was vlugger klaar dan zij gewenst had en er bleef haar dus niets meer over dan de steeds maar aandringende verleider daar te volgen. Ze nodigde hem dan ook uit om binnen te gaan en amper had hij de drempel overschreden of ze trok de zware deur toe, deed ze op slot en zei tot de gevangene: "Hier zult ge blijven tot de keizer u komt verlossen." Tallen was woedend en poogde tevergeefs zich te bevrijden.

Toen hij merkte dat alles verloren moeite was, bedwong hij zijn woede en begon Regina op zo'n klagende en berouwvolle toon om medelijden te smeken dat de goede vorstin zich getroffen voelde en hem de vrijheid terugschonk. Maar amper was Tallen buiten of hij riep haar toe met een donderende stem: "Beef maar, want ge zult weldra tot uw nadeel ondervinden waartoe een versmade liefde iemand brengen kan."

Spoorslags reed Tallen tot bij Karel om Regina te beschuldigen van overspel. De keizer, die Tallens schandelijke gevoelens tegenover zijn vrouw nooit vermoed had, had trouwens het volste vertrouwen in de rechtschapenheid van zijn broer. En toen deze bovendien zijn beschuldiging met tal van schijnbewijzen wist te staven, geloofde Karel zijn broer op zijn woord en beval dat men de keizerin ter dood zou brengen.

Tallen haastte zich het keizerlijk bevel te doen uitvoeren. Zijn dienaren, die even hardvochtig en wreed waren als hun meester, grepen de keizerin vast. Ze weende en smeekte genoeg om stenen harten te breken, maar de knechten wierpen haar in een grote vijver. De keizerin dacht dat haar laatste uur gekomen was en begon daarom tot God te bidden voor haar ziel en voor haar echtgenoot die door laster misleid was.

Maar op hetzelfde ogenblik sprong een hond in het water, vatte de drenkelinge bij de haren en bracht haar zo naar de kant. Die hond was de gezel van een oude eremiet geweest, die enkele dagen voordien gestorven was, maar de hond was de grot blijven bewonen. Nu sleepte het dier de keizerin zachtjes naar de grot, likte haar en verwarmde haar. Toen Regina uit haar bezwijming weer bijgekomen was, dankte ze de Voorzienigheid om de onverhoopte redding en smeekte vurig haar te blijven steunen.

Dan stond ze op, ging haar ringen verkopen en zich kleren aanschaffen en reisde naar Rome. Zodra ze daar aankwam, ging ze plaats nemen op een weg waar de Paus voorbij moest komen, als hij zich naar zijn paleis begaf. Deze zag Regina, herkende haar en zei: "Ge hebt tegenspoed gekend, mijn kind." Regina begon luid te wenen en vertelde de Paus temidden van haar tranen al wat met haar gebeurd was sinds het vertrek van de keizer. Toen sprak Leo: "Mijn kind, als bedevaartster zijt ge naar Rome gekomen, als keizerin zult ge eruit gaan." De Paus liet haar kamers en een kleine tuin toewijzen en daar bestudeerde de keizerin de geneeskracht der planten, zodat ze weldra verschillende geneesmiddelen wist te bereiden. Vooral in de genezing van de oogziekten muntte ze weidra uit. Haar faam verspreidde zich wijd en zijd en van alle kanten kwam men haar hulp inroepen.

Een jaar was sedert de vermeende dood van de keizerin verlopen en de mensen beweenden haar nog altijd. Ook Tallen stond nog steeds in de hoge gunst van de keizer en hij zou zeker in vrede geieefd hebben, had hij de stem van zijn geweten kunnen smoren. Want op zekere dag dat hij, door wroeging gekweld, langs deze vijver heen en weer wandelde, sprong een hond op hem, dezelfde die de keizerin gered had en begon hem als een razende te bijten. De verschrikte Tallen wou die vijand ontvluchten, maar viel daarbij in een modderpoel. Toen zijn dienaren hem eruit trokken, was hij blind. Onmiddellijk stuurde hij naar alle zijden boden uit om de beroemste geneesheren te ontbieden.

Maar toen vernam hij dat te Rome een vrouw leefde, die van de hemel de gave bekomen had om iemand het zicht weer te geven. Daarom begaf hij zich onmiddellijk op reis en kwam weldra samen met de keizer te Rome aan. Zonder verder dralen begaf hij zich naar het huis van Regina. Toen deze hem zag, voelde ze een trilling van afgrijzen door haar leden gaan. "Heilige vrouw," zei Tallen op huichelachtige toon, "God heeft u verkozen om hier op aarde mensen te helpen genezen en te vertroosten. Ik kom tot u in voile vertrouwen. Vraag aan mij al wat u wilt en het zal u gegeven worden." De keizerin deed hem 's anderendaags naar de St.-Pieterskerk komen en beloofde hem te zullen genezen op het ogenblik dat de Paus en de Keizer daar zouden aankomen. Op het gestelde uur begaven Karel de Grote en Tallen zich naar de kerk, waar ze werden tegemoet getreden door Regina in een lange zwarte sluier en geleid door de Paus.

Nu zei Regina tot de zieke: "Een afgrijselijk schelmstuk drukt op uw geweten. Op de plaats zelf waar gij het zicht verloren hebt, hebt ge ook de eer verloren. Ge hebt uw broeder willen onteren en uw keizer verlaten." Karel was erg ongerust, hij beefde van ongeduld en gramschap en wachtte op wat volgen zou. Maar de diepgeschokte Tallen sprak geen woord. Daarop zei Regina tot hem: "Belijd uw misdaden en God zal u genezen." Half dood van schrik bekende Tallen wat hij te Brussel had misdreven, terwiji de keizerin zijn ogen met een soort balsemwater inwreef en hem zodoende het zicht terugschonk.

De keizer echter was zijn woede niet meer meester, hij schopte zijn broer en wou hem dadelijk doen ombrengen. Maar de Paus kwam tussen te zijnen gunste terwijl Karel luid jammerde om het verlies van zijn Regina. Deze lichtte echter haar sluier op, de keizer wierp zich doodgelukkig in haar armen en weende. Dan sprak hij: "Welbeminde Regina, welke straf zal wreed genoeg zijn om dit monster voor zijn misdaad te doen boeten!?" Maar ook Regina pleitte voor de misdadiger, zodat Karel hem het leven schonk. Tallen werd echter verbannen naar een Hollands eiland, waar de wroeging zijn gezondheid zodanig ondermijnde dat hij weldra stierf. Regina deed haar zegepralende intrede te Brussel, met de keizer aan haar zijde. Qok vond zij de hond terug die haar gered had, ze nam hem op en deze heeft haar sedertdien niet rneer verlaten.

Printvriendelijke versie

© 2018 Filip Gybels