Image 01 Image 02 Image 03 Image 04 Image 05 Image 06 Image 07
Legende
Deinze

De Kerk van Deinze

Deinze
Deinze

't Was nog in de tijd dat het lijnwaad goed verkocht, dat een zekere Karel Klaus, koopman in lijnwaad, op een donderdag naar de markt van Tielt reed. Er was veel volk geweest in het hotel Ter Beurse, zodat de zaken goed draaiden, de handelaars hadden al iets meer verkocht dan anders. Karel Klaus had een paar kennissen en klanten ontmoet, ze hadden eens samen getikt en eentje gedronken en in plaats van vijf was het dan ook al negen uur geworden, toen Karel Klaus zijn horloge uit zijn broekzak trok, zijn kaartspel neerlegde en de rekening vereffende. Hij liet zijn paard zadelen, stak Constant de paardenknecht een paar kluiten in de vuist en vertrok in de donkere nacht in een draf naar huis.

In het hotel hoorde men nog enige minuten lang de hoefijzers van zijn paard tegen de muren van de huizen weergalmen.
- "Hij heeft nog een hele rit voor de boeg", zei het volk in het hotel, "en 't weer ziet er stormachtig uit, Klaus zal nog een kwade nacht meemaken."
- "Hij heeft een goed paard", sprak er een.
- "Ja hij," zei een ander, "maar hij kan toch niet voor halfeen thuis zijn."
Toen zetten ze zich weer aan het kaarten.

Karel Klaus was ondertussen op weg naar huis, al over Deinze naar Kruishoutem. De wolken werden dreigender en zwaarder. De wind striemde af en toe de regen in zijn gezicht.
- '"t Gaat nog vuil weer worden", dacht hij. "‘k Zal tot aan 't Hoge van Aarsele rijden en daar blijven haperen. Morgenochtend zien we wel. 'k Heb nog veel geld bij me, wie weet wat me overkomt en de waard in 't Hoge kent me en hij zal wel voor overnachting zorgen. Maar wat zullen ze thuis wel denken, als ik niet aankom?''

Hij was bezorgd, want ze wisten thuis dat hij geld mee zou hebben, en misschien zouden ze denken dat hij vermoord was. Ondertussen was hij aan 't Hoge gekomen. Alles was er gesloten. Er was niemand meer. Zelfs het lichtje van de barrière was uitgewaaid. ’t Was helledonker. Karel Klaus dubde een ogenblik:
- "Ik ben nu zover en ik ben toch nat; ik nader mijn huis, ik ken de weg en het weer lijkt iets beter te worden. Ik zal maar verder rijden. Allez Kom jongen!", zei hij en gaf zijn paard de sporen. "Blijft het weer te slecht, dan stop ik aan Vrouwkes Meulen."

Getroost trok hij zijn paternoster uit zijn zak en ging aan het lezen. Alsof het erom deed, hield het weer zich nog een tijdje koest. Maar toen hij Vrouwkes Meulen voorbij was en geen hoop meer had om nog een schuilplaats te vinden, kreeg de wind opnieuw zijn kuren. Hij blies dat het ruiste en alles zuchtte onder zijn kracht. De regen dreef mee met de wolken en geselde zijn gezicht alsof het scherpe hagelstenen waren. Klaus sloeg de kleppen van zijn muts om en trok de kraag van zijn mantel op, maar het hielp allemaal niet. Het water stroomde langs zijn gezicht. Zijn paard blies de natte vlokken uit zijn neus, maar het bracht Karel Klaus trouw tot in Deinze.

Ook in het Leiestadje waren alle herbergen dicht. En in zo'n weer zou niemand graag de deur openmaken. Karel reed over de Markt tot aan de kerkdeur, nabij de Leiebrug. Hij hield zijn paard staan en besloot in het kerkportaal te schuilen. Hij stond nog niet zo lang onder de bogen van het portaal of hij zag een lichtje in de kerk flikkeren.
- "Het is wellicht de daver van de wind op het dak die de ketting van de koorlamp doet beven", dacht hij eerst. Maar het kwam hem toch voor dat het licht daarvoor te groot was.
- "Zouden het misschien dieven zijn? Die houden van winderig en wild weer. Of zou het de koster zijn die misschien voor een berechting langs de sacristie binnengekomen is?"

Hij loerde door het sleutelgat en keek verrast op. Er brandden twee kaarsen op het altaar en aan de voet stond een priester in vol misgewaad.
- "Is dat voor de eerste mis? Heb ik het uur uit het oog verloren en is het al vijf uur in de morgen?" Hij trok zijn uurwerk uit, maar het was te donker om iets te zien.
- "Dit is vreemd. Ik ben toch om halftien uit Tielt vertrokken. Door de wind ging mijn paard wel vaak stapvoets, maar ik kan toch niet langer dan twee uur onderweg geweest zijn. Dus zou het nu omstreeks halftwaalf moeten zijn.''

Hij voelde toch eens aan zijn mantel of hij niet droomde. Maar blijkbaar stond daar in de kerk een priester in vol ornaat, alsof hij op een misdienaar wachtte. Karel keek en keek nog eens door het sleutelgat.
- "Bom!", zuchtte de kerkklok traag.
"Bom!"
- "Is twee", dacht Klaus.
"Bom!"
- "Is drie", en hij lonkte in de kerk.
"Bom!" Hij zag de priester zijn kruis maken.
"Bom!" En hij hoorde hem "Introibo ad altare Dei'' zeggen.
"Bom!"
- ''Is zes."
··Bom!"
- '"t Kan nu toch geen zeven uur zijn!"
"Bom!"
De priester kruiste zich nog en vezelde triest "Introibo ad altare Dei".
"Bom!"
"Bom!''
- "De horloge slaat hier niet zoals het zou moeten."
"Bom!"
- "Is elf." De priester liet een zware zucht.
"Bom!"
- "Introibo", hoorde Karel nog ... en niets anders.

De kaarsen waren als uitgetoverd. De priester was verdwenen. De kerk was duister en de heilige lamp voor het tabernakel flikkerde haar nederig licht in de diepe grote kerk alsof er niets was gebeurd.

De slag van middernacht galmde nog over de stad en haar slapende bewoners, maar dit uitstervend geluid was het enige waaraan Karel geloofde. Dat hij het zelf was, die daar stond en dat hij zoiets had meegemaakt, daaraan twijfelde hij toch. Hij bleef roerloos staan, met de teugels van zijn paard in de hand. Bang was hij niet, maar hij dacht na wat dit allemaal kon betekenen.
- "Het kost wat het kost, maar ik moet weten wat ervan is", zei hij toen hij min of meer bekomen was. "Het is twaalf u uren ik ben nog anderhalf uur van huis. Mijn paard is nat, ik heb het koud, het is beter dat we voortrijden."

Zo gezegd, zo gedaan. Karel Klaus sprong op zijn paard en reed in volle draf over Tussenbruggen de stad uit, naar Kruishoutem. Hij kwam thuis, stelde het paard in de warme stal, wreef het af en ging slapen.

's Anderendaags, op vrijdag, trok Karel Klaus naar Gent en op zaterdag naar Brugge. Maar op zondag kleedde hij zich op zijn paasbest en hij zei tegen zijn vrouw dat hij in Deinze naar de mis ging en er tevens wat zaken wilde regelen.

Klaus hoorde de mis in de Deinse kerk. Het volk zat er te bidden, maar hij voelde zich niet op zijn gemak. Na de mis klopte hij bij de deken in de sacristie aan en hij vertelde over zijn wedervaren. De goede priester lachte eens en zei dat het wellicht inbeelding was geweest; mogelijk had de storm op zijn zenuwen gewerkt of hij had misschien in Tielt iets te lang in Ter Beurse gezeten. Klaus wist wel wat er gebeurd was en ging weg.

Maar ook de koster had meegeluisterd. Hij volgde Klaus en vroeg hem het verhaal nog eens te vertellen.
- "Straks krijgt ge maren", zei de koster. "Maar als ge volgende donderdag naar Tielt rijdt, kom dan bij mij binnen."
Dit verlichtte Karel en hij trok samen met de koster naar het Gouden Hoofd op de Markt om mekaar beter te leren kennen. De koster had zijn leven lang alles in de kerk meegemaakt. Hij had zijn vader opgevolgd en kende van kindsbeen alle hoeken en kanten van het gebouw, hij vreesde noch de kelders noch het kerkhof, en hij zou zelfs in de kerkbeuk helemaal op zijn eentje 's nachts bij een lijk durven waken.
- "De man is ernstig", dacht de koster. "Ik zal zijn verhaal eens natrekken, ik wil er het fijne van weten."
Op zondagnacht kon het niet, want de koster dronk op zondagnamiddag graag een glas. En voor zo'n opdracht moet ge een fris man zijn.

Op maandagavond vond hij een reden om weg van huis te blijven. Hij laadde een koppel pistolen en na het luiden van negen uur nam hij uit veiligheid ook de kachelpook uit de sacristie mee. Hij doorzocht nog eens de hele kerk en zocht een veilig plaatsje in de preekstoel op. Daar dacht hij over alles en nog wat na.
- "Was hij niet gek om daar geloof aan te hechten?"
- "'t Was misschien om hem een poets te bakken?"
- "Was die vent uit Kruishoutem wel te vertrouwen?"
De tijd scheen lang. Wachten lijkt altijd lang te zijn, vooral als men bang is. Meer dan eens wilde koster Sies opstaan en vertrekken, maar telkens dacht hij aan het nieuws dat hij Karel Klaus voor de volgende donderdag beloofd had en hij bleef zitten. Waar zou hij trouwens naartoe gaan? Thuis verwachtten ze hem niet meer en de deur zou gesloten zijn. Zelf was hij ook nieuwsgierig en daarom bleef hij.

De klok sloeg tien, halfelf ... en na nog een eeuwigheid elf. De koster was zo half aan het indommelen en schrok, toen de klok halftwaalf sloeg. Hij keek voorzichtig boven de kansel uit, maar zag niets. Het werd koud en kil en hij begon zijn geduld te verliezen. Plots hoorde hij een reutel onder de vloer, onder de grafsteen van deken A.B., die net vóór het koor lag. De koster, hoe moedig hij ook was, voelde zich niet op zijn gemak.

Drie kloppen hoorde hij, binnen in de zerk. De grote arduinen steen draaide open en een geraamte, enkel een geraamte, kwam reutelend uit het graf en trad het koor binnen. Het opende de sacristiedeur alsof ze niet gesloten was en tien minuten later kwam het terug, volledig gekleed, met kelken in de hand. Het besteeg het altaar, stak de kaarsen aan en kwam schuddend en bevend de trappen af, tot bij het altaar.

De koster gluurde af en toe boven de kansel en wenste dat hij thuis in zijn bed mocht liggen. Hij maakte wel duizendmaal zijn kruisteken, om toch maar van het kwaad en het ongemak bevrijd te mogen worden. Wat zou er gebeuren en hoe zou het aflopen?
- "Bom!", sloeg de klok.
- "In nomine Patris et Filii et Spiriti Sancti", begon het geraamte.
- "Amen", antwoordde de koster uit pure gewoonte.
Maar zodra hij zijn eigen stem in de kerk hoorde weergalmen, kromp hij in zijn schuilplaats dubbel in mekaar en hij dacht dat zijn laatste uur geslagen was.
- "Introibo ad altare Dei", zei het spook ... maar de koster was veel te bevreesd om nog te antwoorden.
Het had al acht keer geslagen en het geraamte had al acht keer het "introibo" opgezegd. In zijn angst en wanhoop nam de koster een besluit.
- "Het mag nu worden, wat het wil, maar ik antwoord," dacht hij, "en komt hij me molesteren, ik vuur mijn pistolen af, schreeuw moord en brand, ik vecht met de pook in de hand tot het bittere einde."
- "Introibo ad altare Dei."
- "Ad Deum qui Iaetificat juventutem meam", stamelde de koster.
Het spook ging verder en de koster antwoordde mee ... tot de mis van het begin tot het einde gelezen was ... en hoe verder het spook in de tekst vorderde, des te helderder klonk zijn stem en des te vromer werden zijn handelingen.
De benedictie was gegeven, het Sint-lansevangelie was gelezen en het wankelende geraamte trok opnieuw de sacristie binnen.
- "Het is voorbij", dacht koster Si es en hij begon een beetje vrijer te ademen.
Hij stond toen op in de preekstoel, maar hij wist niet of hij naar beneden zou gaan, want het graf stond nog gapend open. Zijn ogen vlogen naar de sacristie en hij donderde bijna van de trappen, toen hij plots het geraamte in de deur van de sacristie zag verschijnen. De diepe, donkere putten in het doodshoofd waren naar hem gekeerd en het was alsof het hem echt aankeek. De koster dook alweer in de preekstoel en maakte zich zo klein mogelijk.

Hij hoorde het geraamte door het koor reutelen, zijn beenderen kletterden tegen mekaar.
- "Het gaat weer naar zijn hol", hoopte de koster, maar hij had het verkeerd voor. Het spook passeerde het graf en kwam tot bij de preekstoel. Wat de koster toen afzag, is onbeschrijflijk. Het zweet gutste van zijn lijf, hij beefde als een riet, hij bad en wilde om hulp roepen ... maar had geen stem meer.
Het spook kwam langzaam de trap op. De koster wilde aan de andere kant naar beneden, maar hij was te Iaat, het spook was halfweg de trap en kon hem vastgrijpen. Hij wilde dan maar naar beneden springen, maar zijn benen waren als verstijfd.
- "Sterven zou nog zo erg niet zijn," dacht hij wanhopig, "maar dat verschrikkelijke geraamte, wat zal het met me doen?"

Het spook stond vóór hem. Hij en het geraamte, hij en de dood ... en niemand anders! Hij dacht dat zijn adem achterwege zou blijven.

- "Hoor en Iuister, vriend, gij hebt me een dienst bewezen. Ge hebt mijn ziel uit het vagevuur verlost. Al driehonderdtachtig jaar stond ik elke nacht op een misdienaar te wachten, tevergeefs, niemand heeft me tot vandaag ooit bijgestaan. Ik was veroordeeld om hier te komen, zolang mijn mis niet volledig beantwoord was of tot de dag van het oordeel.

Dit was mijn straf, omdat ik in mijn leven de gebeden van de mis te vlug heb uitgesproken, zonder mijn misdienaar de tijd te gunnen om te antwoorden. Nu ga ik naar de hemel. Vaarwel en leid een goed leven, want het vagevuur is verschrikkelijk en de hel staat boven alle afschuw. God zegene u en uw huisgezin."
- "Amen", antwoordde de koster. Het geraamte was verdwenen en het graf lag dicht.

De koster was zijn angst kwijt, hij stond op en onderzocht de kerk, het altaar, de sacristie, de grafsteen. Geen enkel teken wees op het voorval, enkel de kaarsen waren verder opgebrand.

Toen hij thuis kwam, herkende zijn vrouw hem niet meer. Hij was grijs, of beter nog, sneeuwwit geworden. Koster Sies leefde nog lang, maar nooit zag men hem nog in de herbergen. Hij bracht zijn dagen thuis door of in het gestoelte van het koor, waar hij vroom bad. En na een lang leven is hij gerust en gelukkig gestorven.

Bron: 

2000, TONY VANHEE, Verteld langs Oost-Vlaamse Leiekant

© 2018 Filip Gybels