Image 01 Image 02 Image 03 Image 04 Image 05 Image 06 Image 07
Sage
Gent

Naart Stuyck

Gent bij nacht
Naart Stuyck

Wijk Nieuwland, Gent rond 1850-1860. Er waren nog olielantaarns en de nachtwaker riep nog de uren. In het holst van de nacht waren de lantaarns uit en was het helledonker. Alleen de bakkers waren al op en stookten hun oven. Bij de bakker in de Goudstraat werd op het kelderraampje geklopt. Eén enkele klop. De bakker riep dat het brood nog niet gebakken was. Andermaal één enkele klop. De bakker nam een klein broodje van de vorige dag, opende het raam en stak het brood erdoor. Het werd aangenomen door een natte hand. Een schim verdween in de duisternis, zonder een woord van dank.

De bakker huiverde en wist dat Naart Stuyck op ronde was. Hoe die eruit zag, wist niemand. Ook niet of het een mens was of een geest. Hooguit een vluchtige schaduw kreeg men te zien want hij verdween zodra hij iemand hoorde. Alleen Pier de waker heeft hem eens gezien, aan de Minnemeersbrug, en volgens Pier had hij geen hoofd (het schijnt dat er geesten bestaan die voor hun straf zonder hoofd moeten ronddolen). Maar dat aankijken van Naart Stuyck is Pier slecht bekomen: veertien dagen later was hij dood aan de miserere in zijn darmen.

Vooral de bakkers rond Sint-Jacobs, Heilig Kerst tot zelfs Sint-Macharius kenden hem, of eerder zijn natte hand. Naart Stuyck schooide nooit, maar de bakkers durfden hem geen brood weigeren, uit schrik dat hun broden plat vielen of dat het meel spon.

Over wie die mysterieuze Naart Stuyck was, deden verschillende verhalen de ronde.

Lotje Vande velde, die negenennegentig jaar was, vertelde hoe er lang geleden in haar familie een Stuyck naar verre landen was gevaren. Daar was hij door de wilden omgebracht, die zijn hoofd hadden opgegeten. De familie was ervan overtuigd dat hij nog altijd als geest zonder hoofd rondliep en liet ieder jaar een zielmis voor hem lezen. Een bezoekje van hem stelden ze niet op prijs.

Een andere vrouw daarentegen vertelde dat die Stuyck een gemenerd was, die zijn vrouw liet slaven en ‘stuiken’ (afdokken). Dat leverde hem zijn bijnaam, Stuyck, op. Zijn vrouw had er op een dag genoeg van en goot vitriool over zijn hoofd. Ze kreeg echter spijt en benam zich het leven. Stuyck moest voortaan door het leven “met een bakkes, waarvoor de duivel op de loop zou gegaan zijn”. Hij kwam alleen ’s avonds en ’s nachts buiten en haalde zijn brood waar hij het vinden kon. Niemand weet hoe hij overleed maar de mensen waren wel blij dat ze zijn gruwelijk gezicht niet meer konden ontmoeten. En volgens sommigen komt hij ’s nachts nog altijd spoken.

© 2018 Filip Gybels