Image 01 Image 02 Image 03 Image 04 Image 05 Image 06 Image 07
Sage
Lichtervelde

De slotnikker van Lichtervelde

Geit met kaars tussen de horens

Het aloude slot van Lichtervelde is lang gevreesd geweest omwille van zijn Nikker. Die vertoonde zich meestal op het neerhof, waar hij ’s nachts de gedaante van een paard aannam. Maar hij had het altijd gemunt op de nieuwsgierigen en de kwaadaardigen die het aandurfden om de wijde grachten van de hoeve of het slot te naderen, dan greep hij ze vast en liet ze met vreselijk gedruis in het water ploffen, waar ze druipnat, versuft en gekneusd, maar levend uitkwamen. Op andere keren kwam hij omtrent middernacht in de schuur en begon er met veel herrie het graan te dorsen en te wannen. Hij maakte daarbij zoveel lawaai dat de bewoners van de hoeve uit angst hun bed niet durfden verlaten om te gaan zien wie er in de schuur al dat leven maakte. Maar ’s morgens vond men geen strootje vernesteld: alles was in dezelfde staat als waarin men het daags voordien gelaten had.

Op een keer gebeurde het dan de Nikker de gedaante van een paard had aangenomen. Was hij nu in slaap gevallen ofzo, maar feit is wel dat hij ’s anderendaags in de ochtend nog op de weide van het neerhof stond. Maar hij was zijn macht kwijt. De stoutmoedigste van de knechten nam dat schoon paard, spande het aan de eg en deed het de hele dag hard werken. Wanneer dat gevonden paard moe werd, sloeg hij erop dat het wreed was om zien. Maar zodra het donker was en het werd uitgespannen, vloog dat paard, omringd door vlammen, briesend en met een afschuwelijk geluid, de lucht in. In het midden van de nacht werd er op deuren en vensters geklopt: iedereen huiverde van de angst. Toen hoorde men een stem zeggen: “Boer, boer, wel, ik heb uw eg in het water gesmeten.”

Daarop verliet hij met hetzelfde vreselijk geluid de hoeve. ’s Anderendaags gingen ze op zoek naar de eg en men vond ze effectief in het water.

Nadien heeft die Nikker zich nog verschillende malen op de hoeve vertoond in de gedaante van een geitebok, met een brandende kaars tussen de horens. Maar stilaan zijn de grachten rond het slot en neerhof opgevuld geraakt en hebben ze van die Nikker niet veel meer gehoord. Er zijn toch nog personen die volhouden dat hij zich ophoudt in de Neuzebeek, niet ver daar vandaan.

Bron: 

Peeters, K.C. (1981). Vlaams Sagenboek (sage 2). Leuven, België: Davidsfonds.

© 2019 Filip Gybels