Image 01 Image 02 Image 03 Image 04 Image 05 Image 06 Image 07
Sage
Poesele

Goed ten Briele

Goed ten Briele
De kapel op paardenpoten

De meeste spookverhalen die te Poesele verteld werden spelen zich af om en rond de eeuwenoude pachthoeve het “Goed ten Briele”, thans bewoond door en eigendom van Ivan en Paula Cocquyt-Van Daele. (Foto uit 1985, verzameling A. Bollaert)

Cyriel Cocquyt woonde tot aan zijn pensioenleeftijd op het Goed ten Briele. Als jonge landbouwer woonde hij, na zijn huwelijk met Maria De Waele, een tijdlang op het Goed ter Walle. Daar hoorde hij het navolgende verhaal vertellen.

Heel lang geleden, bij één van de gezinnen die op het Goed ter Walle woonden, werd op een dag het kleinste kindje ziek. Het was plots hard beginnen huilen en het bleef steeds maar huilen. De boer en boerin wisten niet meer wat aan te vangen en op aanraden van de pastoor gingen ze hulp zoeken bij de paters Norbertijnen in Drongen. Die beseften vlug de ernst van de zaak en ze stuurden onmiddellijk twee kloosterlingen naar Poesele. Luid biddend doorliepen ze de boerderijwoning van de kelders tot de zolder en besprenkelden alle kamers met in wijwater gedrenkte palmtakken. Toen dit zonder resultaat bleef, zijn ze opnieuw beginnen bidden terwijl ze het huis van kop tot teen onderzochten. Op de voutekamer zijn ze voor een linnenkast blijven staan en in één van de bovenste schuiven vonden ze een onbekende lappenpop met daarin drie spelden. Toen ze die biddend uit de pop haalden, stopte het kind met wenen en genas het langzamerhand.

Enkele weken voordien waren bohemers aan de deur geweest die knopen, naalden en spelden ventten. De boerin had nog genoeg voorraad van alles en kocht niets. Eén van de vrouwen vroeg of ze een beetje water konden krijgen, want ze hadden dorst. De goedhartige boerin ging naar de pomp op het achterhof voor elk een tas water halen. Op dat moment moeten de kwaadaardige vrouwen hebben toegeslagen om de pop met de naalden in de kast te stoppen.

Het Goed ten Briele langs de Bredeweg is altijd bewoond geweest door paardenboeren. Vroeger werden de grote boeren zo genoemd omdat zij de enigen waren die meer dan één paard bezaten. De knechten en omliggende keuterboeren konden dan een paard lenen om hun eigen akkers om te rijden. Paarden speelden dus een zeer belangrijke rol in het dagelijkse leven van de kleine Poeselse leefgemeenschap. Maar ook bij paarden was er soms toverij en hekserij in het spel. Zo liepen er, heel lang geleden, spookpaarden rond het Goed ten Briele en tezelfdertijd begonnen op de zolder windmolens te draaien. De boer, de boerin, de kinderen en de knechten verkrampten binnen van de angst en als er dan toch iemand het aandurfde naar buiten of op zolder te gaan kijken was er niets meer te horen of te zien. Dat bleef zich maar herhalen en er werd hulp ingeroepen van de paters van Gent. De paters zijn schoorvoetend gekomen maar je kon hen aanzien dat ze dat werk niet graag deden. Ze zweetten als dassen en zagen er zeer vermoeid uit. Blijkbaar hadden ze na enige tijd toch iets gevonden maar niemand weet wat. Ze zouden het in de grond gestopt hebben op de verste uithoek van het land. Sedertdien waren de spookpaarden verdwenen.

Begin 1800 kwam de eerste De Waele zich vestigen op het Goed ten Briele. De huidige bewoner Yvan Cocquyt is de zoon van Cyriel en Maria De Waele zodat deze hoeve nu al twee eeuwen door dezelfde familie wordt uitgebaat. Rond 1800 maakte Poesele deel uit van het Franse keizerrijk. Het was een periode van oorlogen, hongersnood en plagen onder het vee. Er was ook een abnormale paardensterfte op het Goed ten Briele. Alle paarden stierven één na één op een onverklaarbare wijze. De kloosters waren gesloten en de paters gevlucht. Toch slaagde de familie De Waele erin om enkele paters naar Poesele te laten komen om te onderzoeken wat er zou kunnen gebeurd zijn. Ze kwamen tot de conclusie dat enkel Onze-Lieve-Vrouw hier iets kon aan doen. De bewoners kregen als raad om aan de ingang van hun hoeve een kapel te bouwen op paardenpoten toegewijd aan O.L.V. Het laatste dode paard werd naast de ingang van de hoeve begraven met de poten omhoog en daarop werd een kapel gebouwd. Er is nooit meer nog een abnormale dierensterfte geweest op het hof.

De oorspronkelijke kapel werd in 1951 bij de betonnering van de Bredeweg afgebroken. Ze werd vervangen door een nieuwe kapel, langs de nieuw aangelegde weg, enkele meters achter de plaats van de oorspronkelijke kapel.

“De kapel op paardenpoten” voor het Goed ten Briele. De oorspronkelijke kapel werd gebouwd in het begin van de 19de eeuw en verdween in 1951. De foto dateert uit 1946 en werd genomen door hoefsmid Aviel Afschrift. (Verzameling A. Bollaert)

Wie destijds ook kon helpen tegen toverij was “Boekaardeken” van Waregem. Van de (dierengenezers/tovenaars) familie Bouckaert, die in Oost- en West-Vlaanderen zeer bekend was, is er nog een negentiende-eeuws document bewaard gebleven over de behandeling van dierenziekten. Maria De Waele van het Goed ten Briele hoorde hierover vertellen door haar moeder. Haar zwangere grootmoeder zou behekst geweest zijn en door tussenkomst van Boekaardeken werd ze genezen. Bij Boekaardeken moesten de mensen niet betalen. Er stond wel een busje waar dat men geld kon in deponeren. Zijn remedie voor Maria’s grootmoeder was kort en eenvoudig: "Bij uw terugkeer zal je een leurdertovenaar tegenkomen die op Bruuntje Van Maele gelijkt. Maar je mag er in geen enkel geval tegen spreken." Ze kwamen inderdaad een leurdertovenaar tegen maar ze negeerden hem. Toen ze terug op hun hof aankwamen, was de zieke genezen.

Spoken waren niet te pakken omdat ze ofwel te rap waren ofwel waren ze onstoffelijk, met andere woorden, als je erin slaagde toch een spook vast te grijpen, pakte je er gewoon midden door. Op het Goed ten Briele heeft men heel lang geleden toch zo’n spook te pakken gekregen maar niemand kon nog vertellen hoe dat exact in zijn werk is gegaan. Men heeft het in een fles gestoken en op de verste hoek van het land begraven. Dat leek vroeger blijkbaar de beste manier om van spoken af te geraken. Dergelijke verhalen bestaan ook over de vroegere hoven Welvaert in Landegem, Vlieghe in Poeke, Steenkiste in Vosselare, Meirhaeghe in Lotenhulle en het kasteel van Hansbeke. In de meeste gevallen kwam de fles met het spook (of de geest) elk jaar enkele meters dichter de boerderij of het kasteel. Op het Goed ten Briele was dit niet het geval en is de fles gebleven waar ze begraven werd.

***

Stalkaarsen:

Een stalkaars is een uitgeholde biet waarin men een kaars zet om de mensen bang te maken. Deze stalkaarsen dansten 's avonds soms op het kerkhof rond de kerk. Vissers langs de Poekebeek zagen meermaals een stalkaars boven het water zweven. Ook op de molenberg in de Poekestraat zag men regelmatig stalkaarsen.

's Avonds zag men in de weiden deze stalkaarsen uit de grond naar boven komen.

Dat waren zielen uit het voorgeborchte van de hel (bedoeld wordt: het vagevuur) die hulp kwamen vragen. Alleen door te bidden kon men de lichtjes doen verdwijnen.

Lang geleden waren er jaarlijks op bepaalde tijstippen stalkaarsen te zien op de velden en weiden rond het Goed ten Briele. Ze kwamen uit de richting van de Neerschuurbeek en elk jaar naderden ze een meter de boerderijwoning.

© 2018 Filip Gybels