Image 01 Image 02 Image 03 Image 04 Image 05 Image 06 Image 07
Sage
Tielt

De verloren dukaten

Een boer uit Tielt was op een zekere dag vee gaan verkopen en keerde met een welgevulde beurs huiswaarts. Onderweg had hij enkele pleisterplaatsen bezocht en hij was wel niet helemaal nuchter meer. Maar toch was hij nog helder genoeg van geest om te weten dat in zijn beurs naast zilvergeld ook goudstukken zaten. Thuis hing hij zijn broek met het geld aan de bedleuning, na zich ervan overtuigd te hebben dat zijn goudstukken niet ontbraken.
Natuurlijk was 's morgens zijn eerste werk het geld na te zien, maar hoe hij ook zocht, de goudstukken kon hij niet vinden, ze waren verdwenen. Op zijn zoon na, was niemand in de kamer gekomen en dus ondervroeg hij hem, maar de zoon loochende en zei hoegenaamd niet aan de broek gekomen te zijn. Wat hij ook zeggen mocht, zijn vader bleef vermoeden dat hij de goudstukken had weggenomen.

De zoon ging naar een tovenaar en vroeg hem of hij niets van zijn vaders goudstukken afwist.
"Vanavond kan ik u daarover niet inlichten," zei de tovenaar, "maar kom morgenvroeg terug, dan zal ik u daarover rekenschap kunnen geven."
De lange weg heen en terug verveelde de jongen en daarom zocht hij in de omgeving onderkomen voor de nacht en legde zich te ruste in een schuur nabij het huis van de tovenaar.

Om middernacht werd de deur van de schuur geopend en de tovenaar trad binnen, een lantaarn en een wandelstok in de hand. Met de stok sloeg hij driemaal op de grond, terwijl hij riep: "Minnekens hier, Minnekens hier, Minnekens bier!"
Op hetzelfde ogenblik wemelde het van katten rond de tovenaar.
Hij vroeg: "Kan mij niemand zeggen waar die boer zijn goudstukken gebleven zijn?"
De katten antwoordden: "Neen, dat kunnen we niet, want er zijn vreemden in de nabijheid."
"Breek hem dan de nek," zei de tovenaar.
De katten antwoordden: "Ja, dat zouden we gedaan hebben, maar hij heeft het kruisteken gemaakt."
Zo konden de katten de jongen niets doen, ze verdwenen en met hen de tovenaar. Van schrik liep de jongen uit de schuur en ging zich in het nabije bos verschuilen tot aan bet krieken van de dag.

's Morgens begaf hij zich opnieuw bij de tovenaar en vroeg hem naar de goudstukken. "Het heeft mij veel moeite gekost," zei de man, "maar ik kan het u zeggen. Uw vader slaapt in de stal en naast zijn bed staat een waterkuip waar het vee uit drinkt. Toen uw vader zijn broek aan de bedkant hing, zijn de goudstukken erin gevallen en daar zult ge ze terugvinden."

De jongen haastte zich naar huis en deelde de boodschap mee aan zijn vader. Samen zochten ze de waterkuip af en werkelijk, ze vonden er de goudstukken in terug.

Printvriendelijke versie

© 2018 Filip Gybels