Image 01 Image 02 Image 03 Image 04 Image 05 Image 06 Image 07
Sage
Vinkt

De Priesteragiehond

Vinkt

Vroeger bevond zich op een vijftig meter oostwaarts van de heirstraat Vinkt-Lotenholle een aarden mote die met een fraaie herenwoning bekroond was. Het geheel was door een diepe brede wal omringd, waarover slechts een enkele smalle brug lag. Deze woning met een puntgevel heette de Priesteragie.

Eerwaarde Wouter vander Eecken, pastoor van Vinkt, die de woning met een bunder in eigendom had, schonk dit goed op 1 maart 1420 aan de kerk, onder de voorwaarde dat zijn opvolgers, de pastoors van Vinkt, elke maandag aan het altaar van Sint-Bartholomeus een requiemmis tot lafenis van zijn ziel en die van zijn ouders zouden opdragen.

In de winter van 1445 pleegde men in diezelfde woning een akelige misdaad. Toen de pastoor van de eredienst thuiskwam, vond hij zijn dienstmeid vermoord in de keuken liggen. Diefstal bleek de drijfveer van de aanslag te zijn geweest.

Jaren later besloot zijn opvolger de Priesteragie te verlaten, deels wegens de sfeer rond de moord. Hij keek ook uit naar een huis op het dorpsplein, dicht bij de kerk, om gemakkelijker de dienst uit te oefenen en vlugger de zieken in het dorp bij te staan.

De Priesteragie bleef daardoor verlaten. De herenwoning verviel tot puin en in het dorp kende men de vloek die erop rustte, wegens de moord op de meid van de pastoor. Er was nauwelijks een jager die de verwilderde tuin met bramen, struiken en onkruid durfde te betreden.

Volgens een volksoverlevering verbleef in die verlaten puinen de geest van de moordenaar. Als straf en boete dwaalde hij hier eeuwig rond in de gedaante van een grote hond, waarvan de ogen 's nachts als bolle lantaarns gloeiden.

Wee hem, die 's nachts daarlangs voorbijkwam en de priesteragiehond ontmoette. Het reuzedier sprong met zijn twee voorpoten boven op de schouders van zijn slachtoffer en dwong deze om hem naar de drempel van het huis te dragen.

Sinds de wal opgevuld en de aarden mote afgevoerd werd, bleef ook de hond achterwege, tot grote opluchting van de buren en van iedereen die van Vinkt naar Lotenhulle wilde reizen.

En om te bewijzen dat alles echt gebeurd is, fluistert men verder dat men er lederen geld gevonden heeft, met gouden letters erop.

Bron: 

2000, TONY VANHEE, Verteld langs Oost-Vlaamse Leiekant

© 2018 Filip Gybels