Image 01 Image 02 Image 03 Image 04 Image 05 Image 06 Image 07
Sage
Vresse-sur-Semois

De grote jacht

Loofbos

In het hoge loofbos van de Fargne, een plek links van de weg die Bohan met Sugny verbindt, kan men om middernacht de Grote jacht horen passeren. Er weerklinkt dan hoorngeschal en een meute honden gaat opgewonden aan het blaffen. Aan het hoofd van de wilde groep jagers rijdt een vroegere heer van Bohan, bij leven een groot jager maar ook een slechterik die het dorp ten gronde richtte. Als straf voor al het kwaad dat hij aanrichtte, moet hij elke nacht het woud van Bohan doorkruisen, zonder rust te kennen.

Het spreekt vanzelf dat niemand zich nog waagt in de omgeving van de Fargne van zodra de avond gevallen is.
Op zekere dag echter was een inwoner van Sugny blijven plakken in een herberg in Bohan. Hij was uiteraard een beetje boven zijn theewater en snoefde er maar op los. Toen de inwoners van Bohan aandrongen dat hij toch tijdig naar huis zou gaan en hem wezen op het risico de duivelse jagersbende te ontmoeten, wuifde hij alle goede raad weg, pochte dat hij hel noch Grote Jacht vreesde en dat hij pas rond elf uur 's nachts naar huis zou gaan.

En zo gebeurde. Hij besteeg de lange helling langs de Ruisseau de Bohan en kwam zo omstreeks middernacht uit bij de Fargne. En ja, daar hoorde hij opeens het geschal van de jachthoorns en het geblaf van de honden. Onmiddellijk daarop verscheen een massa jachthonden gevolgd door ruiters, hoog gezeten op rijdieren die door hun neusgaten vlammen uitademden. In het midden van de bende reed de slechte heer. Hij was niet méér dan een oud kadaver, maar het vuur sprong uit zijn oogkassen. De snoever uit Sugny wierp zich plat ter aarde en hief alleen nog even het hoofd op om te kijken naar het helse spektakel.

Zodra de Grote jacht verdwenen was, krabbelde hij op, meer dood dan levend en bevend over zijn hele lichaam. Op slag waren zijn haren wit als sneeuw geworden. In zo'n deerlijke toestand arriveerde hij in Sugny. Zijn dagen waren geteld.

© 2018 Filip Gybels